‘Mijnbouwschade nu eenvoudiger en eenduidig te beoordelen’ kopt de TCMG op 24-01-2019 op haar eigen website. Maar wat betekent dit nu voor de individuele woningeigenaar en in het bijzonder onze leden? In het artikel geeft de TCMG aan dat het wettelijk bewijsvermoeden (artikel artikel 6:177a BW) in de praktijk erg vaag zou zijn. Aan termen als ‘naar haar aard’ en ‘redelijkerwijs’ dient te worden voldaan om het wettelijk bewijsvermoeden toe te kunnen passen.

Redelijkerwijs

Eén van de handvatten die het panel heeft opgesteld is een antwoord op de term ‘redelijkerwijs’. Samenvattend betoogt het panel dat er een dubbel causaal verband moet bestaan om iets aardbevingsschade te kunnen noemen. Dit houdt in dat er

  1. sprake moet zijn van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk dat bodembeweging veroorzaakt en
  2. de schade moet gevolg zijn van die bodembeweging. Wanneer één van deze twee causale verbanden afwezig is zou het niet redelijk zijn het bewijsvermoeden toe te passen.

De aanwezigheid van een mijnbouwwerk behandelt het panel vervolgens als een ja/nee vraag: ligt het object boven of nabij (6 kilometer) het Groninger veld of de gasopslag Norg, dan acht het panel het ‘redelijk’ om verlichting van de bewijslast toe te passen. In dit gebied valt immer bodemdaling en soms ook bodemstijging te verwachten. Dit houdt overigens niet in dat de door de TCMG ingeschakelde deskundige de redelijkheid van de causaliteit niet kan weerleggen. Het gebied dat op deze manier is gedefinieerd is weergegeven op onderstaande afbeelding.

causaliteit gebiedhttps://www.groningermonument.nl/6aeec260-e5b0-4acb-8468-35a3c497b878" alt="pastedGraphic.png">

Bron: http://opengis.eu/gasbevingen/ [07-02-2019 11:17] kaartlagen:

Aardbevingen: 


Magnitude bevingen in 2019

Magnitude bevingen in 2018

Gaswinning: 

Aardgasvelden

TCMG-gegevens:

Gebied Bewijsvermoeden 

 

 

Aardbevingen

Er is door het panel ook een tweede mogelijkheid geformuleerd die het redelijk zou maken om verlichting van de bewijslast toe te passen in verband met de aanwezigheid van een mijnbouwwerk. Aardbevingen kunnen grondversnellingen aan de oppervlakte veroorzaken, soms tot ver buiten het hierboven neergelegde gebied. Wanneer een pand wordt blootgesteld aan een te hoge grondversnelling is het volgens het panel redelijk verlichting van de bewijslast toe te passen. 

Het panel komt met een voorbeeld en wel de Huizingebeving. Deze zou in een straal van 35,8 kilometer de grenswaarde hebben overschreden, let wel afhankelijk van onder andere de grondopbouw is dit niet overal binnen deze straal gebeurd. Ter illustratie hebben we via de eerder gebruikte website deze straal eens uitgezet en deze omvat onder andere Kollum (Friesland), het grootste deel van Marum (Groningen), Roden, Langelo, Norg, Zuidlaren, Anloo (Drenthe), Eexterveenschekanaal (grens Drenthe-Groningen), bijna geheel Nieuwe Pekela, Oude Pekela, Winschoten, Beerta, Finsterwolde en Ganzedijk (Groningen). Ook een aantal Duitse plaatsjes aan de overzijde van de Eems vallen binnen de 35,8 kilometer straal. Hoe met deze plaatsen wordt omgegaan, of hier schade is met een mogelijk causaal verband en wat de invloed is van de Eems op de grondversnellingen is ons onbekend en hier niet heel relevant.

Valt uw pand buiten de zes-kilometerzone en zijn de grenswaarden volgens de berekening van de deskundige niet overschreden dan stelt het panel dat het niet redelijk is om de verlichting van de bewijslast toe te passen. Dit betekent overigens niet dat u geen mijnbouwschade kunt hebben echter is het nu aan u om het causaal verband aan te tonen. 

Naar haar aard

Het panel geeft aan dat de schade door bodembeweging moeilijk tot niet is te onderscheiden van andere schadeoorzaken die [helaas] gelijke schadebeelden veroorzaken. Daarom wordt gesteld dat alle schades waarvan bekend is dat deze door bodembeweging kunnen zijn veroorzaakt aanleiding geven tot de verlichting van de bewijslast. Het panel geeft het volgende niet limitatieve overzicht van schades die wel of juist niet aanleiding geven tot verlichting van de bewijslast. 

aannemelijke relatie met bodembewegingen door mijnbouwexploitatie
Uitgesloten van enige relatie met bodembewegingen door mijnbouwexploitatie
  • scheuren en/of verandering van stand van onderdelen van gebouwen of bouwwerken (bijv. [verergerde scheefstand] schoorstenen);
  • scheuren in gevelvlakken die duiden op een zogenoemde belasting uit het vlak of verandering van stand;
  • scheuren in gevelvlakken die duiden op een zogenoemde grote belasting in het vlak (in de regel gaat het hierbij dan om diagonale of verticale scheuren);
  • scheuren in onderdelen van gebouwen of bouwwerken die duiden op een verschilbeweging op aansluitingen tussen verschillende bouwdelen of onderdelen van gebouw of bouwwerk (bijv. aansluitingen van gevelvlakken, van dak- en gevelvlakken).
  • verkleuring, vlekvorming;
  • bladderen van verfwerk, loslaten/onthechten van verf-/kitwerk;
  • veroudering, verwering;
  • krimpscheuren in materialen (bijvoorbeeld scheuren in houten balken, in een baksteen e.d.). N.B. krimpscheuren tussen twee verschillende materialen of ter plaatse van overgangen vallen hier niet onder.

Wanneer uw schade aan zowel het “mijnbouwwerk” als het “schadekenmerk” criterium voldoet dienen de deskundige en de TCMG volgens het panel het wettelijk bewijsvermoeden toe te passen. Voldoet uw schade niet aan één of beide criteria dan is er volgens het panel geen aanleiding om uw bewijslast te verlichten en de dubbele causaliteit aannemelijk gemaakt te beschouwen. 

Een paar kanttekeningen uit de losse pols

Het hele advies oogt en leest als een zorgvuldige afweging van het panel om enerzijds te voorkomen dat de verlichting van de bewijslast te ruim is, anderzijds dat deze dusdanig wordt ingeperkt dat hij zijn werking verliest. De geformuleerde handvatten geven in ieder geval een houvast voor de “gelijke monniken, gelijke kappen” benadering die het panel zelf voorstelt en een ieder aan zal spreken. 

Net zoals ook bij eerdere werkwijzen, is er discussie mogelijk bij gevallen die net buiten de invloedssfeer van het mijnbouwwerk zouden vallen. Wanneer de grenswaarde niet wordt gehaald, zo stelt het panel, gaat veroorzaakte trilling op in omgevings-/achtergrond trillingen. Hiertoe worden onder andere gerekend: normaal gebruik, verkeer en storm. Deze zogenoemde “achtergrondtrillingen” kunnen op zichzelf echter ook tot schade leiden. 

Mogelijk zal deze discussie in de praktijk zelden of nooit worden gevoerd. Mede omdat het panel een categorie 'gevoelige gebouwen of werken' heeft benoemd. Hieronder vallen ‘gebouwen of werken in wierdendorpen, op taluds en langs slootkanten, of bepaalde grote boerderijen of molens’. Het is volgens het panel niet ondenkelijk dat in individuele gevallen binnen deze categorie toch verlichting van de bewijslast dient te worden toegepast, ook al geven de andere criteria hier niet direct aanleiding voor. 

Ook rijst de vraag of in een situatie waar geen verlichting is van de bewijslast de schademelder voor beide criteria bewijs dient aan te dragen, of alleen voor het criteria waaraan gesteld wordt niet te voldoen?

In de opsommingen van schade met en zonder een aannemelijk causaal verband lijkt stucwerk niet voor te komen, terwijl hier toch veelvuldig schade aan is geconstateerd. Men zou kunnen opperen dat een scheur in stucwerk het gevolg kan zijn van krimp en er derhalve geen verlichting van het bewijs vermoeden dient te worden toegepast. Ook zou stucwerk puur kunnen worden gezien als afwerklaag, waarin schade voortkomt uit beweging in de drager van het stucwerk (mechanische belasting daar gelaten). Of één van deze invalshoeken of een totaal andere de boventoon zal gaan voeren, zal de toekomst moeten uitwijzen.

 U kunt het volledige advies van het panel terug lezen op de website van de TCMG.

 

Sjoerd van Soelen

Voorzitter bouwtechnische commissie 

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Wout Brouwer

Voorzitter juridische commissie 

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.